Nascholing voor en door zorgprofessionals
Een wereld vol praktijkgerichte (geaccrediteerde) leeroplossingen en vakinformatie. Samen voor goede zorg!
Hoe werkt deze Academy?
Nascholing voor zorgprofessionals
Gesorteerd op nieuw - oud
Langdurige toediening van benzodiazepinen en/of opiaten aan kinderen kan fysiologische afhankelijkheid en ontwenningsverschijnselen veroorzaken. Symptomen van benzodiazepinen- en opiatenontwenning zijn te verdelen in twee grote groepen: overprikkeling van het centraal zenuwstelsel en autonome disregulatie. Gastro-intestinale symptomen zijn alleen bij opiatenontwenning gemeld. Risicofactoren bij ontwenning bij kinderen op een ic zijn hoge cumulatieve doses en de toedieningsduur (> 5 dagen) van opiaten en/of benzodiazepinen. In totaal zijn er vier meetinstrumenten beschreven om ontwenningsverschijnselen bij kinderen te bepalen. Twee daarvan zijn betrouwbaar en valide: de Withdrawal Assessment Tool version 1 (WAT-1) en de Sophia Ontwenningsverschijnselen Scorelijst (SOS).
Achterblijvende lengtegroei is een belangrijke reden voor verwijzing naar de kinderarts. De NVK-richtlijn Kleine lengte geeft een stappenplan voor onderzoek naar de oorzaak ervan. Vaak wordt langs die weg geen verklaring gevonden. Men onderscheidt primaire en secundaire groeistoornissen en ‘idiopathische kleine lengte’. Voordat van ‘idiopathische kleine lengte’ mag worden gesproken, moeten oorzaken waarvoor behandeling nodig is zijn uitgesloten. Op basis van gerichte anamnese, lichamelijk onderzoek en screenend laboratoriumonderzoek kunnen de diagnostische vervolgstappen worden bepaald. De groei staat onder invloed van multipele factoren, met de groeihormoon-insulineachtigegroeifactor 1 (IGF-1) -as als belangrijkste determinant. Stoornissen in deze as worden ingedeeld in primaire en secundaire IGF-1-deficiëntie en IGF-1-resistentie. Deze zijn van elkaar te onderscheiden op basis van klinische, biochemische en genetische kenmerken. Primaire IGF-1-deficiëntie en IGF-1-resistentie zijn veel zeldzamer dan de secundaire vorm, maar waarschijnlijk minder zeldzaam dan uit de huidige prevalentiecijfers blijkt.
Diabetes mellitus type 2 is een chronische ziekte die veroorzaakt wordt door een relatief tekort aan insuline, een verminderde gevoeligheid voor insuline in de weefsels (insulineresistentie) of door een combinatie van deze twee. Het is een langzaam progressieve aandoening die veel voorkomt bij ouderen en bij mensen met overgewicht. Gezien de enorme toename van het aantal mensen met overgewicht komt diabetes type 2 nu dus ook vaker op jongere leeftijd voor. Gezonde voeding, voldoende lichaamsbeweging en normaal lichaamsgewicht en zo nodig gewichtsreductie samen met bloedglucoseverlagende medicijnen zijn van essentieel belang bij de behandeling van diabetes. In dit artikel gaan wij in op de orale bloedglucoseverlagende middelen en de nieuwste ontwikkelingen op dit gebied.
Diabetes mellitus type 1 kan zich presenteren met een diabetische ketoacidose. Door een tekort of afwezigheid van insuline vindt er lipolyse plaats: vetweefsel wordt afgebroken om aan de energievoorziening te voldoen. Door een tekort of afwezigheid van insuline kan de glucose immers niet de cel in getransporteerd worden. De diagnose diabetische ketoacidose wordt gesteld op basis van bloed- en urineonderzoek. Vaak zijn patiënten met een diabetische ketoacidose uitgedroogd. Zonder behandeling leidt een diabetische ketoacidose tot de dood. Snelle behandeling met insuline en vocht is essentieel, waarbij het proces van lipolyse, verzuring en uitdroging volledig reversibel is. Niet elke ketoacidose is het gevolg van diabetes mellitus type 1. In sommige gevallen kunnen type-2-diabeten zich ook presenteren met een ketoacidose. Ook alcoholabusus en hongeren kunnen een ketoacidose veroorzaken.
Een kind met pylorushypertrofie wordt klassiek vier-vijf weken na de geboorte gepresenteerd met recidiverend projectielbraken direct na de voeding. Echografisch onderzoek kan de diagnose pylorushypertrofie meestal bevestigen. Behandeling vindt plaats door middel van een pyloromyotomie volgens Ramstedt. Anesthesiologisch zijn preoperatief de volgende factoren van belang: correctie van een eventueel aanwezige metabole hypochloremische alkalose en hypokaliemie, correctie van eventueel aanwezige dehydratie, en de volle maag, die met een maagsonde moet worden uitgezogen. Als postoperatieve pijnstilling is lokale infiltratie van de wond met een lokaal anestheticum, in combinatie met rectale toediening van paracetamol vaak voldoende. Postoperatief moet verder 24-uurs apneumonitoring overwogen worden. Voeding kan direct postoperatief ad libitum worden hervat.
Bij chronic obstructive pulmonary disease (COPD) is er sprake van een grotendeels niet reversibele luchtwegobstructie veroorzaakt door chronische obstructieve bronchitis en/of longemfyseem. Emfyseem gaat gepaard met beschadiging van het longweefsel. COPD wordt veelal veroorzaakt door roken en begint sluipend. De eerste klachten zijn meestal hoesten en het opgeven van sputum. Later treedt kortademigheid bij inspanning op. De kortademigheid leidt tot afname van inspanningstolerantie, en kan leiden tot verslechteren van de voedingstoestand, waardoor op termijn de fysieke conditie afneemt. Patiënten kunnen in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Voor COPD is er een medicamenteuze en een niet-medicamenteuze behandeling. Patiënten in een eindstadium van COPD kunnen in aanmerking komen voor longtransplantatie maar ook voor (grotendeels nog in onderzoeksverband) endoscopische technieken.