Nascholing voor en door zorgprofessionals
Een wereld vol praktijkgerichte (geaccrediteerde) leeroplossingen en vakinformatie. Samen voor goede zorg!
Hoe werkt deze Academy?
Nascholing voor zorgprofessionals
Gesorteerd op nieuw - oud
Overvulling en hyperkaliëmie zijn de belangrijkste complicaties bij acute nierinsufficiëntie die directe behandeling vereisen. Snel herstel van het circulerend volume is bij prerenale nierinsufficiëntie essentieel om renale schade te voorkomen. Bij hemolytisch-uremisch syndroom en sommige vormen van snel progressieve glomerulonefritis moet er binnen 24 uur met dialyse of plasmaferese worden behandeld. Bij verdenking van exacerbatie van een langer bestaande nierinsufficiëntie (‘acuut op chronisch’) moeten ernstige metabole ontregelingen met de grootst mogelijke voorzichtigheid gecorrigeerd worden. Bepaling van de ernst van de nierinsufficiëntie, eerste aanpak en differentiaaldiagnose worden hier besproken.
Ons huidige infuusbeleid is gebaseerd op een publicatie van meer dan vijftig jaar geleden. Sindsdien is het algemeen gebruik om kinderen als onderhoudsvocht een hypotone infuusvloeistof toe te dienen. In de klinische praktijk wordt van hypotone vloeistof gesproken als de NaCl-concentratie minder is dan 0,9%. Het is echter aangetoond dat het toedienen van hypotone infuusvloeistoffen aan zieke kinderen kan leiden tot een acute iatrogene hyponatriëmie. Deze hyponatriëmie ontstaat doordat zieke kinderen meerdere niet-osmotische stimuli hebben, die verhoogde afgifte van antidiuretisch hormoon (adh) veroorzaken, waardoor de nier het hoge percentage elektrolytvrij water in hypotone infuusvloeistoffen niet kan uitscheiden. Hyponatriëmie kan ernstig verlopen, variërend van misselijkheid en braken tot hersenoedeem, met potentieel dodelijke inklemming of neurologische restverschijnselen als gevolg. Wij pleiten er in dit artikel voor dat kinderen die ouder dan een maand zijn en uit bepaalde risicogroepen komen de isotone infuusvloeistof NaCl 0,9% als onderhoudsvocht toegediend krijgen ter voorkoming van hyponatriëmie.
Het meten van de bloeddruk is een handeling die verpleegkundigen en andere zorgverleners dagelijks veelvuldig uitvoeren. Daarom is het goed eens stil te staan bij wat bloeddruk nu eigenlijk precies is. Hoe ontstaat bloeddruk en hoe wordt deze gereguleerd? Bloeddruk zorgt ervoor dat al onze organen van voldoende bloed(druk) worden voorzien om optimaal te functioneren. Aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen, afvoer van kooldioxide en afvalstoffen. Zonder een goede bloeddruk laten de organen het afweten met vaak ernstige gevolgen. Het blijkt een indrukwekkend samenspel van ingewikkelde systemen te zijn dat bepaalt wat de druk in een van onze grootste orgaanstelsels is: ons vaatstelsel. Naast de anatomie zijn het zenuwstelsel en de hormoonhuishouding de belangrijkste spelers in dit veld. Al deze aspecten komen in dit overzichtsartikel aan de orde.
Heatstroke is het ernstigste ziektebeeld in een spectrum van hittegerelateerde aandoeningen die variëren in ernst. De mens is homeotherm, dus het centrum voor warmteregulatie in de hypothalamus zal erop gericht zijn om warmteproductie altijd in balans te laten zijn met warmteverlies. Omgevingsfactoren, lichamelijke inspanning en koelingsprocessen zijn belangrijke factoren bij het optreden van hittegerelateerde aandoeningen. De ziektegeschiedenis van een 30-jarige man dient als uitgangspunt om de fysiologie, pathofysiologie en behandeling van hittegerelateerde aandoeningen te beschrijven.
Nierinsufficiëntie door jodiumhoudende contrastmiddelen is de derde oorzaak van acute nierinsufficiëntie in Nederlandse ziekenhuizen. Daarom is als een van de tien thema’s van het landelijke VMS Veiligheidsprogramma gekozen voor: ‘Voorkomen van nierinsufficiëntie bij intravasculair gebruik van jodiumhoudende contrastmiddelen’. In dit artikel gaan we in op jodiumhoudende contrastmiddelen, contrastnefropathie, laten we zien hoe de nierfunctie wordt berekend en behandelen we de preventieve maatregelen bij hoogrisicopatiënten.
Bij evidence-based practice gaat het om het nemen van klinische beslissingen op basis van het best beschikbare bewijs, oftewel een causale samenhang tussen een interventie en het effect daarvan op een kenmerk van patiënten. Er zijn verschillende soorten onderzoek mogelijk.
We kunnen een onderscheid maken op basis van de aard van de gegevens die verzameld worden. Dan spreken we van kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Maar we kunnen ook een onderscheid maken op basis van de hoeveelheid kennis over een fenomeen. Dan spreken we van beschrijvend, correlationeel, of experimenteel onderzoek.
De (randomised controlled trial) RCT is de zuiverste manier om een causale samenhang tussen interventie en effect aan te tonen. Dit onderzoeksontwerp kenmerkt zich door manipulatie van de onafhankelijke variabele, controle van de onderzoeker en randomisering. Als het niet mogelijk is om mensen te randomiseren, wordt er wel gebruikgemaakt van bestaande groepen in de controlled clinical trial (CCT), maar dit onderzoeksontwerp levert een minder krachtig bewijs. Iets wordt dan op de ene afdeling ingevoerd en op de andere afdeling niet. Op beide afdelingen wordt een voor- en een nameting gedaan. De onderzoeker heeft hierbij minder controle dan bij de RCT.