Nascholing voor en door zorgprofessionals
Een wereld vol praktijkgerichte (geaccrediteerde) leeroplossingen en vakinformatie. Samen voor goede zorg!
Hoe werkt deze Academy?
Nascholing voor zorgprofessionals
Gesorteerd op nieuw - oud
Paracetamol is in de meeste gevallen een veilige pijnstiller. Bij pijn in het keel-, neus- en oorgebied is het effectief, maar bij migraine en pijn veroorzaakt door botbreuken geeft het minder pijnstilling dan ibuprofen. Na orale toediening wordt het vlot opgenomen; de rectale toediening is trager en soms onvolledig, zeker bij pasgeborenen. De intraveneuze vorm bereikt snel het centrale zenuwstelsel, waar het middel werkt. Bij langdurig gebruik kan paracetamol leverschade veroorzaken en leiden tot hoofdpijn. Bij ernstige intoxicatie kan leverschade beperkt worden door het geven van N-acetylcysteïne. Dit middel heeft echter vaak bijwerkingen, meestal mild van aard. Gebruik van paracetamol op jonge leeftijd is in epidemiologische studies geassocieerd met een verhoogd risico op astma en autisme later.
Fysiotherapie en rompstabiliteit lijken in de hedendaagse praktijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Rompstabiliteit, of core stability, is een hot item in de fysiotherapie en de (sport)revalidatie. Er bestaat echter discussie over wat het begrip precies inhoudt en hoe rompstabiliteit te meten is. Bij het testen van rompstabiliteit is het belangrijk is dat een test niet alleen inzicht geeft in de neuromusculaire controle van de lokale stabiliserende musculatuur, maar ook informatie geeft over de kracht en het krachtuithoudingsvermogen van de grote spiergroepen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de verworven kennis uit elektromyografisch onderzoek. Dergelijk onderzoek geeft immers meer inzicht in de gebruikelijke spieractivatiepatronen tijdens verschillende oefeningen. Bovendien is het belangrijk dat de rompstabiliteit zowel in statische als dynamische situaties wordt getest, omdat dit het meest overeenkomt met de bewegingen die de patiënt uitvoert in het dagelijkse leven, in werk en bij sport.
De fysiotherapeut en trainer kunnen de revalidatie en training uitwerken op basis van wetenschappelijke kennis (evidence-based) of op basis van ervaring (best practice). Er is onderscheid te maken in oefenprogramma’s die gericht zijn op revalidatie, preventie of prestatie. Dit artikel beschrijft hoe bestaande praktijkinzichten en kennis uit de literatuur te combineren zijn om tot een aantal uitgangspunten te komen die als leidraad kunnen dienen voor het samenstellen van programma’s die gericht zijn op het trainen van de core.
Circa twee derde van de Nederlanders met dementie woont thuis. Thuis wonen is gewenst en dan het liefst op een zo veilig mogelijke manier. Met bouwkundige woningaanpassingen kan het langer veilig thuis wonen worden ondersteund. Dit artikel geeft een overzicht van de veiligheidsaspecten in de woning, zoals de risico’s op vallen, dwalen en brand. Daarnaast wordt een opsomming gegeven van de bouwkundige oplossingen die de veiligheid in huis kunnen vergroten. Bij woningaanpassing behoren de behoeften van de persoon met dementie en de mantelzorger het uitgangspunt te zijn.
In 1987 kwam het antiretrovirale middel zidovudine (AZT) beschikbaar voor de behandeling van mensen met een hiv-infectie. In de jaren daarna kwam er nog een aantal hiv-remmers beschikbaar. Aanvankelijk werd monotherapie met een hiv-remmer toegepast bij symptomatische patiënten. De duur van de effectiviteit bleek echter beperkt. Uit de ‘Concorde’ studie in 1993 kwam naar voren dat er geen verschil in effect was tussen vroeg (asymptomatisch stadium) en laat (bij klachten) starten met zidovudine monotherapie. Uit vervolgstudies met combinaties van twee hiv-remmers bleek dat deze een aanzienlijk beter effect hadden op de ziekteprogressie, levensverlenging en daling van het aantal CD4-cellen dan monotherapie. Dit effect was met name te zien bij patiënten die nog niet eerder waren behandeld met monotherapie.
Bijna tien jaar later, in 1996, werden de eerste resultaten bekend van klinisch onderzoek naar het effect van een nieuwe klasse van hiv-remmers, de proteaseremmers, in combinatie met de bestaande hiv-remmers, de ‘triple therapie’. Sindsdien is de hiv-infectie veranderd van een dodelijke infectieziekte in een chronische infectieziekte. Tegenwoordig zijn er 23 verschillende geneesmiddelen beschikbaar voor de behandeling van de hiv-infectie Deze 23 middelen worden in een combinatie van drie of meer voorgeschreven.
Antiretrovirale therapie wordt in de literatuur op verschillende manieren weergegeven, zoals HAART (highly active antiretroviral therapy) CART (combination antiretrovirale therapie) en ART (antiretrovirale therapie). De huidige behandeling van de hiv-infectie bestaat uit een combinatie van geneesmiddelen die er gezamenlijk voor zorgen dat de replicatie van het virus wordt onderbroken. Hierdoor neemt de activiteit van het hiv in het lichaam af en krijgt het immuunsysteem de kans zich te herstellen, waardoor de kans op infecties afneemt. Hiv gebruikt met name CD4-cellen om zichzelf te kunnen vermenigvuldigen. Deze CD4- of T-helpercellen spelen een belangrijke rol in het immuunsysteem. Doordat het hiv deze cellen gebruikt en ten slotte vernietigt, zijn er op den duur te weinig van deze cellen voor een goed functionerend immuunsysteem. Wanneer het hiv de CD4-cel binnendringt, komt het erfelijke materiaal van het hiv vrij (RNA) en wordt opgenomen in het erfelijk materiaal van de gastheercel (DNA). Virussen met erfelijk materiaal in de vorm van RNA, die na de infectie van een gastheercel een kopie maken van hun eigen erfelijk materiaal, noemt men retrovirussen.
Acuut leverfalen (ALF) en acuut-op-chronisch leverfalen (ACLF) zijn gekenmerkt door de combinatie van hepatische encefalopathie, een verhoogd bilirubine en verlengde protrombinetijd (PT, INR). Bij ACLF is er sprake van een pre-existente leverziekte (meestal cirrose) en een uitlokkend moment (bloeding, infectie) voor de acute verslechtering, bij ALF niet. Etiologie, snelheid van ontstaan, ernst van complicaties en resterende leverfunctie bepalen mede de kans op levertransplantatievrije overleving. Bij ACLF wordt die ingeschat met de MELD-score, bij ALF met de KCH-score. Er wordt een bespreking gegeven van de uiteenlopende complicaties en de rol van leverfunctie-ondersteunende apparatuur. Evaluatie voor levertransplantatie (soms auxiliair bij ALF) moet tijdig plaatsvinden. Ook hierna zijn complicaties mogelijk.