Physios
Praktijkgerichte nascholing voor de fysiotherapeuten
Wil je toegang tot alle artikelen, video's en nascholing van Physios?
Abonneer nu!
Alle collecties van Physios
Gesorteerd op nieuw - oud
De skeletspier speelt bij diabetes mellitus type 2 (dm 2) een allesoverheersende rol. Het probleem van de patiënt met dm 2 is tweeledig: ten eerste is de door insuline gestimuleerde glucoseopname verminderd en ten tweede is de oxidatie van vet in de spier verminderd. Als gevolg van dat laatste vindt vetophoping in de spier plaats, waardoor de glucoseopname extra wordt geremd. Skeletspieren zijn echter uiterst plastische organen die goed reageren op training. Traditioneel werd duurtraining gepropageerd, maar recent onderzoek wijst erop dat de combinatie van duur- en krachttraining de beste resultaten geeft. Door de traditionele duurtraining te vervangen door intervaltraining en hoogintensieve intervalsprinttraining nemen zowel de cardiale als de tijdsbelasting sterk af, terwijl de effecten niet verschillen van die van duurtraining met continue belasting. Bovendien is daardoor meer variatie in de training mogelijk. De verwachting is dat hierdoor meer patiënten bewegen voorgoed in hun leefpatroon zullen inbouwen.
Scapuladiskinesie heeft een nauwe relatie met schouderpathologie zoals instabiliteitsproblematiek en impingement. Een juiste kinesie en controle van de scapula komt tot stand door complexe interactie tussen scapulohumerale, thoracohumerale en thoracoscapulaire spiergroepen. In deze interactie is een optimale timing en anticipatie op krachtsveranderingen van essentieel belang. Het voorschrijven van specifieke oefeningen is de belangrijkste interventie bij een afwijkende scapulafunctie. Oefenen op spierniveau is gebruikelijk, maar niet realistisch. In de fysiotherapeutische praktijk is het beter om te denken in bewegingsdoelen. Voor het verbeteren van de opwaartse rotatie van de scapula worden de meest relevante oefeningen beschreven wat betreft uitvoering, opbouw, variatie, achtergronden en de wetenschappelijke onderbouwing.
In de klinische praktijk moet de fysiotherapeut ongelijksoortige kennisbronnen gebruiken om te komen tot beslissingen. Door de eenzijdige beleidsstukken van de overheid, gericht op kostenbeheersing en de hieraan gekoppelde aandacht voor ebm , lijkt het ten onrechte of het redeneren vanuit de pathofysiologie voor de klinische praktijk van ondergeschikt belang is geworden.
Wanneer iets geleerd moet worden in sport of therapie, wordt meestal een instructie gegeven en de leerling of patiënt probeert vervolgens de gevraagde beweging of handeling te verrichten. De leraar geeft feedback als het fout gaat, en zo hopen we dat de betrokken activiteit wordt aangeleerd. Kortom: al doende leren. Deze manier van leren is weliswaar zeer gangbaar, maar lang niet altijd de meest effectieve. Bij sommige leerlingen en patiënten stokt het leerproces: ondanks al het oefenen is er geen vooruitgang meer. Daarom is het goed te weten dat er talrijke andere manieren van leren bestaan, zoals impliciet leren, imitatieleren, foutloos leren en mental practice. In feite bestaat er een groot repertoire van leerprincipes, waaruit in ieder individueel geval gekozen kan worden. Het zou daarom een goede zaak zijn wanneer iedere leraar of therapeut dit repertoire beheerst, zodat de leermogelijkheden van iedere leerling of patiënt optimaal worden benut. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste leerstrategieën die in de praktijk kunnen worden toegepast.
Een cva heeft in veel gevallen invaliderende gevolgen op alle domeinen van het functioneren. De eerste maanden zijn gericht op revalidatie en herstel. In de chronische fase wordt de patiënt geconfronteerd met eventuele restverschijnselen en ligt het accent op acceptatie, verwerking en ondersteuning van de mantelzorg. In dit artikel wordt een casus beschreven waarin bij een patiënte in de chronische fase na een cva de functionele restcapaciteit wordt aangesproken om tot een betere zelfredzaamheid te komen. Dit wordt in een breder kader van diseasemanagement geplaatst.
Binnen niet al te lange tijd verschijnt er een nieuwe multidisciplinaire richtlijn met betrekking tot de behandeling van de ziekte van Parkinson. Vele organisaties verlenen hieraan hun medewerking. De complexiteit van de aandoening vraagt ook om een dergelijke benadering en het resultaat mag er zijn. De bestudeerde conceptversie van de nieuwe richtlijn integreert bekende en nieuwe informatie en laat een ieder zijn rol zien in netwerkzorg. Aan de hand van het beeld van één individuele patiënt wordt duidelijk gemaakt hoe de factor tijd de dagelijkse activiteiten domineert in het beloop van de ziekte van Parkinson.