Physios
Praktijkgerichte nascholing voor de fysiotherapeuten
Wil je toegang tot alle artikelen, video's en nascholing van Physios?
Abonneer nu!
Alle collecties van Physios
Gesorteerd op nieuw - oud
De rol van de fysiotherapeut in verschillende fases rondom een operatie is erg belangrijk, omdat er steeds meer focus komt op gezondheid en gedrag, en minder op alleen de ziekte. Daarnaast verplaatsen gezondheid en zorg zich meer naar de eigen leefomgeving van mensen. Mensen gaan daarom vaak eerder naar huis na een ziekenhuisopname. Om die reden moeten fysiotherapeuten patiënten bijstaan voor, tijdens en na een opname. Ook is het belangrijk dat de fysiotherapeut kan functioneren in een interprofessioneel team, met de patiënt in een actieve rol. Met medische en functionele beoordelingen zijn risicopatiënten te herkennen, zowel
in de fase van prehabilitatie als postoperatief. Het artikel belicht het concept van prehabilitatie voor kwetsbare patiënten, een optimale voorbereiding op een operatie, en postoperatieve revalidatie, met behulp van programma’s zoals Back at work after surgery. Verder wordt duidelijk dat fysiotherapeuten patiënten in hun eigen omgeving moeten ondersteunen bij een actieve levensstijl rondom een grote operatie.
Spondylolisthesis is een afwijking van de wervelkolom waarbij een van de lendewervels ten opzichte van de onderliggende wervel naar voren is verplaatst, meestal lumbaal. Bij slechts een deel van de mensen met een spondylolisthesis leidt dit tot symptomen die tot de spondylolisthesis herleidbaar zijn. Bij deze aandoening zijn meerdere typen te onderscheiden waarbij de degeneratieve vorm het meest voorkomt. Patiënten presenteren zich meestal met klachten van neurogene claudicatio of een radiculair syndroom. Een operatieve behandeling wordt pas overwogen als conservatieve behandeling niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Bij de niet-chirurgische behandelopties zijn fysiotherapie en eventueel behandeling met enige vorm van uitwendige stabilisatie zoals een korset de pijlers van de behandeling. De meest toegepaste operatieve technieken zijn decompressie en spondylodese. Voor de spondylodese zijn meerdere benaderingen mogelijk. In het algemeen zal de patiënt na een spondylodese naar de fysiotherapeut verwezen worden voor nabehandeling. De wetenschappelijke evidentie voor het nut van postoperatieve fysiotherapie is nog beperkt.
Hypermobiliteit is een veelvoorkomend verschijnsel en leidt niet altijd tot klachten. Bij een deel van de mensen is hypermobiliteit een uiting van een hypermobiliteitspectrumstoornis, het hypermobiele type Ehlers-Danlossyndroom en in zeldzame gevallen van een van de andere dertien vormen van EhlersDanlossyndroom. De Ehlers-Danlossyndromen vormen een heterogene groep ziekten met verschillende etiologie. De behandeling van aan hypermobiliteit gerelateerde stoornissen is levenslang, waarbij het belangrijk is dat de patiënt zelf leert om met de klachten om te gaan. Fysieke fitheid, gewrichtsstabiliteit, mentale fitheid en zelfmanagement zijn belangrijke pijlers bij de behandeling van aan hypermobiliteit gerelateerde stoornissen. Daarnaast is ook management van systemische klachten, indien aanwezig, van belang.
Coach2Move is een behandelstrategie voor fysiotherapeuten, gericht op het vergroten van de fysieke activiteit en het verbeteren van de zelfredzaamheid bij zelfstandig wonende ouderen. Dit artikel beschrijft de inhoud van de Coach2Move-strategie en geeft weer hoe het proces van implementatie plaatsvond bij zestien praktijken in Nederland. Daarnaast beschrijft het de uitkomsten van de implementatie van Coach2Move. Ouderen die fysiotherapie kregen volgens Coach2Move waren na afloop van hun behandeling fysiek actiever, hadden een betere functionele mobiliteit, en hun score op de EFIP-kwetsbaarheidsschaal was meer verbeterd dan die
van ouderen die een reguliere fysiotherapeutische behandeling kregen. Bovendien werden deze resultaten behaald in minder behandelsessies dan de reguliere fysiotherapeutische behandeling. De ouderen die deelnamen aan Coach2Move bleven zich ook na afloop van de behandeling verbeteren. De zorgkosten waren vergelijkbaar met die van patiënten die met gebruikelijke fysiotherapie behandeld werden. Het artikel sluit af met een toelichting op de huidige stand van zaken rondom Coach2Move.
Lage rugpijn wordt veelal beschouwd als een multifactorieel probleem, waarbij biologische en psychosociale factoren, comorbiditeiten en pijnprocessen een rol spelen. Bij mensen met lage rugpijn komen bepaalde
aandoeningen, zoals plasklachten, vaker voor dan bij mensen zonder lage rugpijn. Plasklachten kunnen aanwezig zijn bij de opslag van urine in de blaas, tijdens of na het plassen. Rugpijn en plasklachten kunnen
voorkomen bij patiënten bij wie ze misschien niet direct te verwachten zijn. Deze klachtenbeelden kunnen elkaar overschaduwen. De aanwezigheid van deze rugpijn of plasklachten kan leiden tot een lagere kwaliteit van leven of toename van beperkingen. Dit artikel biedt ruimschoots aandacht aan plasklachten als een belangrijke comorbiditeit bij personen met rugpijn, en beschrijft epidemiologie, etiologie, anatomie en pathologie. Verder komen middelen aan de orde die een fysiotherapeut kan inzetten om patiënten met rugpijn en plasklachten adequate zorg te bieden.
‘Developmental coordination disorder’ (DCD) is een ontwikkelingsstoornis waarbij iemand moeilijkheden ondervindt met motorische coördinatie die het dagelijks functioneren beïnvloeden. Het diagnostisch proces omvat minimaal een anamnese, gestandaardiseerde testen bij de kinderfysiotherapeut en een onderzoek door de revalidatiearts. De impact van DCD reikt veel verder dan enkel de motorische ontwikkeling. Voor een hulpverlener is het belangrijk om alert te zijn op typische tekenen van DCD die ouders rapporteren en om hier gericht naar te vragen. Op die manier kan waardevolle informatie verzameld worden om DCD al dan niet te kunnen diagnosticeren.