Aanvullende diagnostiek bij cognitieve stoornissen
Bij elke patiënt die met verdenking cognitieve stoornissen op de poli komt, is de vraag wat de oorzaak is. Met aanvullend onderzoek kan de oorzaak soms worden vastgesteld. Maar de uitslag van neuropsychologisch onderzoek, MRI-hersenen, liquoronderzoek en soms EEG, nucleair onderzoek, of bloedonderzoek, is lang niet altijd eenduidig. Voor de diagnose van sommige hersenziekten is aanvullend onderzoek noodzakelijk, voor andere ziekten hoeft dat niet. De vraag of u een diagnose wilt bevestigen of wilt uitsluiten is van belang voor de keuze van het juiste aanvullende onderzoek en voor de interpretatie van de uitslag. Ook patiëntkarakteristieken, waaronder leeftijd, bepalen mede de keuze. Na het lezen van dit artikel kunt u doelmatige en patiëntvriendelijke diagnostiek op uw spreekuur verrichten.
Leerdoelen
Na het bestuderen van deze content:
- weet u bij welke patiënten aanvullend onderzoek nuttig is om de juiste diagnose te stellen en bij welke patiënten dit niet nodig is
- weet u bij welke aandoeningen aanvullend onderzoek noodzakelijk is om aan de klinische criteria te voldoen
- kunt u een patiënt uitleggen wat de voor- en nadelen van aanvullend onderzoek zijn bij verdenking op dementie
- kunt u gericht aanvullend onderzoek doen, waardoor de doelmatigheid van zorg op uw geheugenpoli toeneemt
- begrijpt u waarom ‘een diagnose op het juiste moment’ niet altijd een zo vroeg mogelijke diagnose betekent