Quintesse
Praktische nascholing voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen
Wil je toegang tot alle artikelen, video's en nascholing van Quintesse?
Abonneer nu! Meer informatie
Alle collecties van Quintesse
Gesorteerd op nieuw - oud
Evidence-based werken als professional houdt in dat beoordelen, handelen en adviseren gebaseerd zijn op integratie van kennis uit wetenschap, ervaring uit de praktijk en voorkeuren van werkenden en andere betrokkenen. Dit artikel is vooral, maar niet uitsluitend, gericht op de beantwoording van meer specifieke, zogenoemde voorgrondvragen. Na het formuleren van een beantwoordbare vraag start een zoekactie in verschillende soorten bronnen. Eerst in evidence-based professionele richtlijnen en andere vormen van kennissynthese zoals expert-rapporten en e-boeken. Gespecialiseerde websites (apps) van betrouwbare organisaties zijn een volgende optie, mits voorzien van bronvermelding. Tot slot kan gezocht worden in reviews van onderzoeken of in oorspronkelijke wetenschappelijke artikelen, bijvoorbeeld via PubMed. Het zoeken naar en interpreteren van informatie vereist training en soms ondersteuning door een deskundige. Artificial intelligence (AI) biedt snelle hulp, maar wel met een aanzienlijk risico op foute conclusies. Informatie geleverd door AI moet altijd door een deskundige gecontroleerd worden. Bronvermelding is een must. Dit artikel is deels gebaseerd op het boek Occupational Safety and Health online. How to find reliable information en op het artikel ‘Where to find evidence-based information on occupational safety and health?’
Chroom-6-verbindingen ontstaan als chromaten vooral in de metaalindustrie en worden ook gebruikt in de leer- en verfindustrie. Buiten het beroep worden sterk verhoogde concentraties slechts sporadisch gevonden. De opname, verdeling en uitscheiding in het lichaam worden sterk bepaald door de wateroplosbaarheid van chroomzouten. Bij het werken met chroom-6-houdende chromaten treden vooral effecten op bij direct contact met huid en luchtwegen. Huidcontact kan leiden tot chroomzweren en het ontstaan van allergische contactdermatitis. Langdurige inhalatoire blootstelling veroorzaakt chronische longziekten zoals COPD, longfibrose en irritatieve astma. Chroom-6 is een genotoxisch carcinogeen en veroorzaakt longkanker, neus- en neusbijholtekanker. Voor de werkplek is een wettelijke luchtgrenswaarde van 1 µg/m3 vastgesteld. Chroom-6 wordt ook via andere routes dan inademing opgenomen. Daarom wordt bij de bewaking van deze blootstelling vaak aanvullend biomonitoring overwogen. Recent onderzoek laat zien dat dit meerwaarde kan hebben bij het bewaken van de blootstelling. De bepaling van chroom in urine is een bruikbare biomarker voor de blootstelling aan chroom-6 verbindingen met een advieswaarde van 2,5 µg/l. Chroom kan ook in rode bloedcellen worden bepaald als maat voor intracellulaire chroom-6-blootstelling. In wetenschappelijk onderzoek worden ook nog andere bloedbepalingen gebruikt die een onderbouwing vormen voor een oorzakelijk verband tussen chroom-6-blootstelling en beroepsziekten. Deze biomarkers zijn nog niet gevalideerd voor preventie in de arbeidsgezondheidszorg.
Biomonitoring staat niet op het netvlies van de meeste bedrijfsartsen. Toch wordt steeds duidelijker dat we in Nederland de laatste decennia te weinig aandacht hebben gegeven aan de gevolgen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Dat vraagt van bedrijfsartsen dat zij zich meer in deze materie moeten verdiepen. Goede literatuur kan daarbij helpen.
Werkgerelateerde factoren en long covid | Nina Amedzro, Robin Cordell, Gail Allsopp – What prevention means through the lens of work and health (2026) | Blootstelling aan lasrook en veranderingen in het longweefsel
Biologische monitoring geeft inzicht in de hoeveelheid van een gevaarlijke stof in het lichaam van werknemers en vult omgevingsmetingen aan, vooral wanneer opname via de huid een rol speelt. Naast het meten van opgenomen stoffen bestaan er ook tests voor vroege effectsignalen. De keuze van een geschikte biomarker, het juiste moment van monstername en de juiste matrix bepalen de waarde van de resultaten. Samenwerking tussen arbeidshygiënist, toxicoloog en bedrijfsarts en een zorgvuldig opgesteld meetprotocol waarin uitvoering, interpretatie en privacy aan bod komen, zijn essentieel. De bedrijfsarts bewaakt medische opvolging en vertrouwelijkheid, terwijl de werkgever verantwoordelijk is voor maatregelen op de werkplek. Juist toegepast levert biomonitoring krachtige, aanvullende informatie om (onzichtbare) risico’s tijdig te herkennen en beheersmaatregelen te evalueren binnen een breder preventief kader.
Re-integratie bij arbeidsongeschiktheid is te beschouwen als een vorm van sociale reproductie, dat wil zeggen als middel om te kunnen herstellen, functioneren en te floreren. Dit past in de analyse van de achtergrondvoorwaarden voor ons neoliberaal vormgegeven economisch systeem. De werknemer ziet arbeidsparticipatiezorg (APZ) als medische zorg (APZ 1), de werkgever als middel om werkhervatting te bevorderen en het werk- en privédomein te kunnen splitsen en hanteerbaar te krijgen (APZ 2). Echter, de werknemer heeft één lichaam, van waaruit deze in het werk- en privédomein de prestaties levert en daartoe moet regenereren (APZ 3). De vergelijking van de Nederlandse, Zwitserse en Deense stelsels helpt om de grotere verbanden te zien. Het Zwitserse voorbeeld laat zien dat het ertoe doet om werknemers actiever te beschermen tegen blijvend baanverlies en daarmee ook tegen inkomensongelijkheid. Het beschermt de Zwitserse maatschappij tegen extra lasten. Het Deense stelsel laat zien dat multidisciplinaire participatiezorg en meer hulp om van werk naar werk te gaan ook helpend zijn. In beide stelsels is dit verbonden met lagere financiële lasten voor werkgevers en mede daardoor lagere drempels om in ander werk te komen. Dit gaat gepaard met minder stigma. Ik pleit ervoor om de belangrijkste elementen uit het Zwitserse en Deense stelsel over te nemen, maar dan in een constructie die het beste aansluit op hoe Nederland functioneert. Aanbevelingen zijn om branchegericht te gaan werken met multidisciplinaire teams, een kortere periode van loondoorbetaling voor werkgevers, een meer toetsende rol voor het UWV en meer middelen inzetten om van werk naar werk te komen.