Praktische Pediatrie

Praktijkgerichte nascholing voor kinderartsen

Een hoogwaardig Nederlandstalig nascholingstijdschrift in combinatie met een toegankelijk digitaal kennisplatform geaccrediteerd door de NVK. VSR is in aanvraag.

Wil je toegang tot alle artikelen, video's en nascholing van Praktische Pediatrie?

Abonneer nu! Meer informatie

Alle collecties van Praktische Pediatrie

Gesorteerd op nieuw - oud
Niet-reguliere behandelwijzen in uw spreekkamer: vraag ernaar! Lees meer over Niet-reguliere behandelwijzen in uw spreekkamer: vraag ernaar! Niet-reguliere behandelwijzen in uw spreekkamer: vraag ernaar!
In Nederland maken ouders voor hun kinderen zeer regelmatig gebruik van niet-reguliere behandelwijzen. Soms in plaats van, maar vaak ook juist naast reguliere behandeling. Zij verwachten hierover goede informatie te kunnen krijgen van hun (kinder)arts. De meeste kinderartsen vinden echter dat ze hier onvoldoende kennis over hebben en vragen dan ook niet naar het gebruik van alternatieve behandelwijzen. Voor lang niet alle niet-reguliere behandelwijzen geldt echter ‘baat het niet, dan schaadt het niet’. In dit artikel geven we een overzicht van de verschillende (groepen) niet-reguliere behandelwijzen, met specifieke aandacht voor de veiligheidsaspecten van deze behandelingen. We gaan in op hoe het gesprek hierover kan worden gevoerd en waar en hoe gerichte informatie over niet-reguliere behandelwijzen kan worden gevonden.
Hoe maak je seksualiteit bespreekbaar in de kindergeneeskunde? Lees meer over Hoe maak je seksualiteit bespreekbaar in de kindergeneeskunde? Hoe maak je seksualiteit bespreekbaar in de kindergeneeskunde?
De seksuele ontwikkeling is een essentieel onderdeel van de biopsychosociale ontwikkeling en de algehele gezondheid van kinderen en adolescenten. Kinderartsen spelen een centrale rol in het bevorderen van een gezonde seksuele ontwikkeling. Daarbij vormt kennis van de normatieve ontwikkeling de basis voor effectieve, veilige en leeftijdsadequate communicatie over seksualiteit. Bij zorgen over een afwijkende of zorgelijke seksuele ontwikkeling kan het vlaggensysteem worden gebruikt om de ernst te duiden en passende interventies en vervolgstappen te bepalen. Seksualiteit bespreken is relevant in uiteenlopende klinische contexten, waaronder puberteitsontwikkeling, (uro)genitale aandoeningen, soa-zorg, psychosociale problematiek, genderdiversiteit, chronische en ontwikkelingsziekten, seksueel grensoverschrijdende ervaringen en medicatiegebruik. Het praktische hulpmiddel SexQ kan helpen om een gesprek over seksualiteit te beginnen en vorm te geven. Aandacht voor diversiteit in cultuur, religie, seksuele oriëntatie, genderidentiteit en ontwikkelingsniveau is daarbij essentieel.
Foetaal monitoren tijdens de zwangerschap en bevalling Lees meer over Foetaal monitoren tijdens de zwangerschap en bevalling Foetaal monitoren tijdens de zwangerschap en bevalling
Cardiotocografie (CTG) wordt bij een medische indicatie toegepast tijdens de zwangerschap en/of bij de bevalling. Het doel van CTG-bewaking is het monitoren van de conditie van de foetus, zodat hypoxie vroegtijdig kan worden opgespoord. Er wordt op basis van het CTG onderscheid gemaakt tussen verschillende stadia van hypoxie. Deze stadia zijn te herkennen aan specifieke kenmerken op het CTG, zoals verminderde variabiliteit of een verhoogde basishartfrequentie. Op basis van bevindingen in het CTG kan worden besloten om aanvullend onderzoek te verrichten of om de zwangerschap of bevalling te beëindigen in de vorm van een sectio of een vacuümextractie. Een afwijkend CTG kan aanleiding geven tot het oproepen van een kinderarts voor de opvang van het kind in verband met een verdenking op een matige of slechte start.
Diagnostiek naar congenitale cytomegalovirusinfectie bij dysmature neonaten Lees meer over Diagnostiek naar congenitale cytomegalovirusinfectie bij dysmature neonaten Diagnostiek naar congenitale cytomegalovirusinfectie bij dysmature neonaten
Congenitale CMV (cCMV) is wereldwijd de meest voorkomende congenitale infectie en een belangrijke oorzaak van ontwikkelingsproblemen en gehoorverlies. In Nederland bedraagt de geboorteprevalentie ongeveer 0,5%. Er bestaat in de praktijk geen consensus over de diagnostiek naar cCMV in Nederlandse ziekenhuizen bij dysmature neonaten, ondanks de aanbevelingen in de richtlijn Congenitale Cytomegalovirus Infectie (postnataal beleid) uit 2019. In dit artikel werden 15 studies geïncludeerd die dysmature neonaten onderzochten op cCMV door middel van urine- en/of speekseldiagnostiek. De definities van dysmaturiteit bleken niet uniform, variërend van < P10 tot < P3 geboortegewicht. Het gerapporteerde percentage cCMV bij geteste dysmaturen varieerde van 0-5,5% en lag hoger in studies die ernstigere dysmaturiteit (< P3) hanteerden. Het onderscheid tussen geproportioneerde en gedisproportioneerde dysmaturiteit leverde geen eenduidige conclusies op, maar kinderen met cCMV en microcefalie hebben vaker langetermijngevolgen van de cCMV-infectie dan kinderen met een normaal gegroeid hoofd. Op theoretische gronden is geproportioneerde dysmaturiteit ook vaker het gevolg van een congenitale infectie en minder vaak van bijvoorbeeld placenta-insufficiëntie. Op basis hiervan adviseren wij om, in lijn met de huidige cCMV-diagnostiek te verrichten bij geproportioneerde dysmature neonaten met geboortegewicht én schedelomtrek < P3 wanneer geen andere duidelijke oorzaak aanwezig is.
Methemoglobinemie door het gebruik van lidocaïne/prilocaïnecrème (EMLA) Lees meer over Methemoglobinemie door het gebruik van lidocaïne/prilocaïnecrème (EMLA) Methemoglobinemie door het gebruik van lidocaïne/prilocaïnecrème (EMLA)
EMLA-crème (lidocaïne/prilocaïnecrème) is een lokaal anestheticum dat veel wordt gebruikt bij naaldprocedures. Hoewel het effectief is voor pijnreductie, bestaat er wel een risico op methemoglobinemie. Dit betekent dat het ijzer in hemoglobine wordt geoxideerd van Fe2+ naar Fe3+, waardoor methemoglobine ontstaat. Methemoglobine kan geen zuurstof binden, wat leidt tot weefselhypoxie. De klinische presentatie is vaak aspecifiek. Symptomen variëren van cyanose, dyspneu, hoofdpijn en vermoeidheid tot ernstige complicaties zoals respiratoire insufficiëntie, shock en coma. De diagnose wordt gesteld op basis van een bloedgasanalyse waarbij een verhoogde methemoglobinewaarde wordt gevonden. Behandeling bestaat uit ondersteunende zorg en zo nodig medicamenteuze therapie met methyleenblauw of vitamine C als er sprake is van een G6PD-deficiëntie. Het risico op een methemoglobinemie bij EMLA-gebruik is verhoogd bij overdosering, applicatie op grote of beschadigde huidoppervlakken en bij jonge kinderen, voornamelijk onder 6 maanden.
Vraag & Antwoord Jan Peter Rake Lees meer over Vraag & Antwoord Jan Peter Rake Vraag & Antwoord Jan Peter Rake
In dit themanummer is Jan Peter Rake aan het woord, kinderarts en sinds vijf jaar medisch directeur van het Radboudumc Amalia Kinderziekenhuis in Nijmegen. Zijn professionele carrière leest als een reis langs alle lijnen van het Nederlandse kindergeneeskundige zorglandschap. Maar dan wel allemaal vanuit zijn woonplaats Groningen, waar hij 57 jaar geleden ook werd geboren. Hij werd eerst kinderarts en later kinderarts metabole ziekten in het UMCG, werkte vervolgens twaalf jaar als algemeen kinderarts in het Martini Ziekenhuis om daarna als algemeen kinderarts weer terug te keren in het UMCG voordat hij afzakte naar Nijmegen. Ook werkte hij bijna een decennium voor KinderThuisZorg. Jan Peter heeft zich als missie gesteld de kindzorg dwars door de muren van de zorgsystemen heen te ontwikkelen, ook als daarvoor figuurlijke muren binnen en tussen organisaties moeten worden doorbroken. Om te komen tot zorg zo nodig, waar nodig en door wie nodig.