Coffeïnetherapie bij apneus: een precair evenwicht?
Apneus bij prematuren ontstaan door een onrijp ademhalingsregulatiesysteem en kunnen leiden tot hypoxie. Coffeïne is een effectief en veilig middel voor de behandeling van apneus, met positieve effecten op de beademingsduur, bronchopulmonale dysplasie (BPD) en de neurologische ontwikkeling. De toepassing is de laatste jaren verschoven naar een vroegere start, hogere dosering en langere behandelduur. Hoewel therapeutic drug monitoring (TDM; het bepalen van geneesmiddelconcentraties met als doel effectieve en veilige behandeling) niet standaard wordt toegepast, is individuele evaluatie van effect en bijwerkingen wenselijk. De farmacodynamiek en -kinetiek van coffeïne zijn complex, gekenmerkt door trage klaring bij neonaten. De dosering kan gepersonaliseerd worden op basis van postnatale leeftijd. Stoppen rond 32-34 weken postmenstruele leeftijd is meestal mogelijk, mits geen apneus meer optreden. Voor extreem premature kinderen of bij BPD kan verlenging worden overwogen. Verder onderzoek richt zich op genetische responsvariatie, doseringsstrategieën, timing van toediening en alternatieve TDM-methoden ter optimalisatie van de therapie.
Leerdoelen
Na het bestuderen van deze collectie:
- heeft u kennis over de farmacokinetiek en farmacodynamiek van coffeïne
- weet u wat de huidige evidence is voor coffeïnebehandeling bij apneus
- weet u welke aspecten moeten worden meegenomen voor optimale toepassing van coffeïne
- krijgt u praktische tips voor een beter gebruik van coffeïne