PiL
Praktijkgerichte nascholing voor apothekers, huisartsen en ziekenhuisapothekers
Een combinatie van vakblad,e-learning,podcast, geaccrediteerd door KNMG, NVZA en KNMP. ‘Klik op abonneer hier’ voor meer informatie.
Alle collecties van PiL
Gesorteerd op nieuw - oud
Mensen met een zeldzame aandoening (rare disease) vormen een bijzonder kwetsbare groep in ons zorgstelsel. Hoewel de term anders doet vermoeden, gaat het om een omvangrijke patiëntengroep. Er zijn meer dan 7000 verschillende zeldzame aandoeningen en in Nederland gaat het naar schatting om ruim 1 miljoen mensen. Dit blijft een schatting, omdat een landelijke registratie ontbreekt. In diverse Europese landen, zoals Frankrijk, bestaat zo’n registratie wel.
Berotralstat bij erfelijk angio-oedeem | Geen negatief effect van orale anticonceptiva op de prevalentie van metabool syndroom bij PCOS
Met de alom aanwezige desinformatie, de niet-aflatende commerciële druk vanuit de farmaceutische industrie en de stijgende negatieve opinie over de waarde van wetenschap zijn onafhankelijke medische bronnen nu essentiëler dan ooit. Maar zonder voldoende financiële middelen verdwijnen onafhankelijke bronnen. Het Geneesmiddelenbulletin bijvoorbeeld, hoorde vorig jaar dat de overheidssubsidie zou worden gestaakt en dreigt na 2026 te verdwijnen.1 Hoe belangrijk is het dat zorgverleners hun onafhankelijke bronnen blijven koesteren?
Alopecia androgenetica is de meest voorkomende haaraandoening. Er zijn diverse systemische behandelopties. Finasteride is de enige geregistreerde orale medicatie voor deze indicatie. Het remt het enzym 5-alfa-reductase, waardoor de omzetting van testosteron naar dihydrotestosteron wordt tegengegaan. Dutasteride is een vergelijkbaar potenter middel, maar is nog een off-label behandeling. Een andere orale (off-label) behandeloptie is minoxidil. Het werkingsmechanisme hiervan is nog niet volledig opgehelderd. Minoxidil lijkt de groeifase van de haren te verlengen en te zorgen voor een betere bloedtoevoer. De indicatie voor orale behandeling van alopecia androgenetica en de potentiële bijwerkingen moeten met de patiënt besproken worden.
Prostaataandoeningen zijn een toenemend gezondheidsprobleem, vooral doordat mannen steeds ouder worden. De meest voorkomende klachten hangen samen met een goedaardige prostaatvergroting (BPH), die plasklachten kan veroorzaken. Veel mannen krijgen hiermee vanaf ongeveer 60-jarige leeftijd te maken en wenden zich in eerste instantie tot de huisarts. Behandeling bestaat meestal uit leefstijladviezen en medicatie, waarmee klachten, vaak tijdelijk, onder controle blijven. Wanneer het effect onvoldoende of niet blijvend is, volgt verwijzing naar de uroloog voor verdere behandeling. Medicamenteuze behandelingen voor BPH zijn al langere tijd onveranderd, maar op operatief gebied zijn er belangrijke nieuwe, minder invasieve technieken ontwikkeld, zoals lasertherapie, stoombehandeling en prostaatembolisatie. Steeds vaker vervangen die de traditionele transurethrale resectie van de prostaat (TURP). Prostaatontstekingen komen op alle leeftijden voor en kunnen zowel bacterieel als niet-bacterieel zijn en acuut of chronisch.
De NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (2025) onderscheidt bij de medicamenteuze behandeling van diabetes mellitus type 2 (DM2) patiënten met en patiënten zonder een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten (HVZ). In 2024 kreeg ongeveer 76% van de nieuwe patiënten met DM2 zonder een zeer hoog risico metformine als eerste middel, conform de NHG-Standaard. Van de nieuwe patiënten met een zeer hoog risico begon het merendeel met metformine (47%), terwijl 41% startte met een natrium-glucose-cotransporter 2 (SGLT2)-remmer. SGLT2-remmers zijn echter al sinds 2021 het eerstekeusmiddel bij patiënten met een zeer hoog risico. Bovendien kreeg in 2024 slechts ongeveer de helft van alle patiënten met een zeer hoog risico een SGLT2-remmer voorgeschreven. Kortom, er is aandacht nodig voor het gebruik van SGLT2-remmers bij patiënten met DM2 en een zeer hoog risico op HVZ, zowel bij bestaande als nieuwe patiënten. Zorgverleners kunnen onder meer afspraken maken over de middelen van voorkeur bij deze patiënten.