Nascholing voor en door zorgprofessionals
Een wereld vol praktijkgerichte (geaccrediteerde) leeroplossingen en vakinformatie. Samen voor goede zorg!
Hoe werkt deze Academy?
Nascholing voor zorgprofessionals
Gesorteerd op nieuw - oud
Lithium is een effectief middel bij de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis. De toepassing van lithium wordt echter beperkt door bijwerkingen. Enkele van de meest voorkomende bijwerkingen bij langdurig gebruik zijn polydipsie (gemeld bij 38-70% van de gebruikers), polyurie (15-40%), schildklierafwijkingen, tremor (28-45%), droge mond, cognitieve stoornissen (10-43%), gewichtstoename en moeheid. Patiënten ervaren gewichtstoename en cognitieve stoornissen als het meest onprettig. Bijwerkingen zijn een belangrijke oorzaak van therapieontrouw of het in overleg met de behandelaar staken van de behandeling (15-20%). De volgende casus illustreert welke problemen en dilemma’s bij de behandeling met lithium kunnen voorkomen.
In onze pluriforme samenleving kan het een grote uitdaging voor artsen en verpleegkundigen zijn om in gesprek te komen met patiënten met een niet-westerse achtergrond. Culturele verschillen en het niet-spreken van elkaars taal of een tweede taal kan voor problemen in de communicatie zorgen. Een goede communicatie tussen zorgverlener en patiënt is noodzakelijk voor een kwalitatief goede behandeling, en om de patiënt zijn eigen keuzes te laten maken en zijn eigen regie te laten voeren. Om samen met de patiënt het verpleegkundig proces te kunnen doorlopen is een goede communicatie noodzakelijk. De verpleegkundige moet rekening kunnen houden met levensbeschouwelijke en culturele opvattingen van de patiënt.
De diagnoses dissociatieve identiteitsstoornis en dissociatieve stoornis n.a.o. worden de laatste jaren steeds vaker gesteld. Dit komt doordat steeds meer behandelaren bekend zijn met deze stoornis, deze eerder herkennen en betrekken bij hun diagnostiek. In dit artikel wordt ingegaan op de complexe dissociatieve stoornis, symptomen, diagnostiek en behandeling.
Het is onduidelijk bij welke glucoseconcentratie er sprake is van een neonatale hypoglykemie die tot permanente neurologische schade zal leiden. Onduidelijkheid over de definitie van neonatale hypoglykemie leidt tot controverses over screening, preventie en behandeling.
Neonatale hypoglykemie wordt veroorzaakt door een te laag aanbod van glucose of een verhoogd verbruik. Aan de hand van de pathofysiologie kunnen pasgeborenen worden geïdentificeerd met mogelijk verstoorde metabole adaptatie na de geboorte. Preventieve maatregelen bij deze risicogroepen voorkomen hypoglykemie en routinematige glucosescreening stelt hypoglykemie vroegtijdig vast. De behandeling bestaat uit verhoging van de koolhydraatintake, met enterale voeding of intraveneuze glucosetoediening. Dit artikel biedt een praktische richtlijn voor de aanpak van neonatale hypoglykemie. Wij vragen aandacht voor de valkuilen bij de bepalingsmethoden. De clinicus practicus dient zich op de hoogte te stellen van de gebruikte bepalingsmethode in de eigen kliniek om de uitslagen adequaat te kunnen interpreteren.
Een 12 jaar oude jongen werd verwezen naar de kinderpoli wegens kleine gestalte en beginnende puberteitsontwikkeling. Tussen zijn 5e en 10e levensjaar was hij al drie keer door een kinderarts gezien wegens kleine lengte. Zijn achterblijvende lengtegroei was geduid als ‘trage skeletrijping’. Aan de hand van de evidence-based richtlijn Kleine lengte van de nvk werd de differentiaaldiagnose van endocriene en niet-endocriene oorzaken van gestoorde lengtegroei doorlopen. Screenend onderzoek volgens deze richtlijn wees op een secundaire groeistoornis op basis van een niet-endocriene oorzaak. De belangrijkste leerpunten uit de gepresenteerde casuïstiek zijn dat men, in geval van achterblijvende lengtegroei en persisterend ernstig (> 1 jaar) achterlopen van de skeletleeftijd, verdacht moet zijn op secundaire groeistoornissen door endocriene en niet-endocriene oorzaken en dat het missen van stoornissen in orgaansystemen als oorzaak van de kleine lengte ernstige gevolgen kan hebben. Wij geven een overzicht van niet-endocriene oorzaken die in dergelijke casus overwogen moeten worden.
Op de afdeling kindergeneeskunde lag een prematuur, geboren bij 35 weken. De voorgeschiedenis was blanco. Na het afvallen van de navelstomp bleef de navel nat en kwamen er gele druppels uit. De druppels waren helder, niet troebel of bloederig. De navel was niet rood of riekend.