Nascholing voor en door zorgprofessionals
Een wereld vol praktijkgerichte (geaccrediteerde) leeroplossingen en vakinformatie. Samen voor goede zorg!
Hoe werkt deze Academy?
Nascholing voor zorgprofessionals
Gesorteerd op nieuw - oud
Bij vrouwen is borstkanker de meest voorkomende vorm van kanker. Bijna 40% van deze patiënten is ten tijde van de diagnose 65 jaar of ouder. Door de vergrijzing en betere overleving zal het aandeel 70-plussers verder toenemen, van 30% in 1995 tot 60% in 2035. De landelijke richtlijn Mammacarcinoom van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) is in 2012 gereviseerd en via www.oncoline.nl voor iedereen toegankelijk. Deze richtlijn is vooral gebaseerd op onderzoek bij relatief jonge en fitte patiënten, ouderen boven de 70 jaar zijn hierbij ondervertegenwoordigd. Veel patiënten boven de 70 jaar worden uitgesloten van deelname aan klinisch onderzoek uit angst voor vertroebeling van onderzoeksgegevens. Kennis over de behandeling van borstkanker op middelbare leeftijd is enorm toegenomen en wereldwijd bestaat er consensus over het beleid. Bij de behandeling van ouderen met borstkanker blijven echter veel vragen bestaan.
De meeste richtlijnen richten zich met name op absolute of ziektevrije overleving, terwijl kwaliteit van leven en functionele status voor ouderen vaak net zo belangrijk zijn.
Opstaan uit een stoel lijkt zo simpel, maar op het moment dat de kracht en met name de coördinatie verloren gaan, kan het voor ouderen een groot obstakel worden. Helpen bij opstaan zorgt voor een extra belasting van de hulpverleners, die daarom al decennia lang gebruik maken van sta-ophulpen. Deze sta-ophulpen nemen weliswaar veel ‘kracht’ over, maar de vraag is wat de gevolgen zijn voor de patiënt. Hiernaar is weinig onderzoek gedaan, maar er zijn wel aanwijzingen dat de inzet van sta-ophulpen de aanwezige sta-functie van de patiënt versneld vermindert, dat de lichaamswaarneming erdoor verandert en dat het gevolgen kan hebben voor de wervelkolom, schouders en halsspieren. Daarom moeten ouderen trainen om zelf – of met facilitering – te gaan staan, om hun zelfstandigheid zoveel mogelijk te behouden.
Om zinnige uitspraken te kunnen doen op basis van metingen, moeten de meetinstrumenten van goede kwaliteit zijn. Deze kwaliteit wordt bepaald door de betrouwbaarheid (de mate waarin een meting vrij is van meetfouten), de validiteit (de mate waarin een meetinstrument meet wat het beoogt te meten) en de responsiviteit (de mate waarin het meetinstrument in staat is om veranderingen te meten). Voor het gebruik van meetinstrumenten in de fysiotherapiepraktijk zijn vooral facevaliditeit, inhoudsvaliditeit en meetfout van belang. Van veel meetinstrumenten is echter niet voldoende informatie beschikbaar over de klinimetrische eigenschappen of is de meetfout relatief groot. Daarom is het belangrijk om altijd voorzichtig te zijn met het interpreteren van scores op meetinstrumenten van individuele patiënten in de dagelijkse praktijk.
Naast neurologische aandoeningen kunnen vele niet-neurologische ziektes leiden tot cognitieve stoornissen. In dit artikel wordt een aantal hartaandoeningen besproken waarbij er een duidelijke relatie blijkt te zijn met cognitieve stoornissen. Het is van belang dat bedrijfsarts en verzekeringsarts hiervan op de hoogte zijn, zodat zij ook cognitief disfunctioneren in het werk bij deze ziektes kunnen herkennen en voorkomen.
Roken is een risicofactor voor tal van aandoeningen en een belangrijke doodsoorzaak. Stoppen is lastig, want roken is sterk verslavend. Opname of behandeling voor een aan roken gerelateerde aandoening kan voor rokers echter het signaal zijn dat het nu echt ‘vijf voor twaalf’ is. Daarom is aandacht voor roken in het ziekenhuis en in de GGz van groot belang. Dit artikel zet de belangrijkste ziekten op een rij die samenhangen met roken en bespreekt de mogelijkheden voor verpleegkundigen om naar het rookgedrag te informeren en de vervolgstappen.
Iedere kinderarts moet longfunctieonderzoek bij kinderen kunnen aanvragen en beoordelen. Het meest gebruikte longfunctieonderzoek betreft de flow-volumecurve, die vooral wordt gebruikt bij de diagnostiek en monitoring van astma. Een betrouwbare flow-volumecurve kan bij kinderen vanaf ongeveer 5 jaar worden verkregen. Goed getraind longfunctiepersoneel dat gewend is met kinderen te werken is daarbij een vereiste. Bij het interpreteren van een flow-volumecurve is vooral de visuele inspectie van de curve van belang. De kinderarts beoordeelt of de curve voldoet aan kwaliteitscriteria (snelle oploop van het expiratoire deel van de curve, langzame continue afname van flow totdat deze 0 is) en beoordeelt het patroon van de curve als normaal, obstructief of ‘restrictief’. Pas daarna worden de gemeten waarden vergeleken met referentiewaarden.